
De in Nieuw-Zeeland geboren Errol Flynn (1909-1959) was een 'golden boy': een lange, blonde, zongebruinde verschijning, dol op zeilen en cricket. Hij was intelligent, gevaarlijk charmant en bovendien een avonturier en een waaghals. Flynn arriveerde als twintiger in Hollywood waar studiobaas Jack Warner al snel zijn flitsende charisma spotte en hem de rol van heldhaftige piraat gaf in de spannende swashbuckler 'Captain Blood' (1935). De film was een overweldigende hit. Maar met het succes was ook het cliché geboren: de zwaardvechtende, macho Errol Flynn – ster van talloze avonturenfilms.
Het succes was aanvankelijk zoet voor Flynn. Hij ontpopte zich tot een rokkenjager eerste klas en tot een feestbeest dat zich eindeloos overgaf aan drank en drugs. Maar al snel werd duidelijk dat hij serieuze rollen met enige diepgang kon vergeten. Als gevangene van zijn eigen imago verzuchtte hij: 'Hoe ben ik toch zover afgedwaald van mijn jeugdige idealen… daar sta ik dan met in mijn ene hand een zwaard en in de andere een jarretelle...'.
Weinig bekend is dat Errol Flynn journalistieke ambities had en een meer dan gemiddelde interesse in politiek. Hij verbleef korte tijd als oorlogscorrespondent aan het front van de Spaanse Burgeroorlog. In zijn laatste jaren voelde hij zich erg betrokken bij de Cubaanse Revolutie. Hij reisde naar Cuba en ontmoette Fidel Castro, een ervaring die hij tot een documentaire verwerkte. Ironisch genoeg was Flynns enige succes als schrijver zijn autobiografie 'My Wicked, Wicked Ways' – het verhaal van een leven waar hij niet onverdeeld trots op was.
Deel 1 van Captain Blood