
C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie 2007
Juryrapport
De jury van de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie heeft dit jaar 21 dichtbundels ontvangen en gelezen. Ze heeft in goede overeenstemming vier nominaties gekozen en een winnaar aangewezen. Hoewel de argumenten van de juryleden verschilden, bleek hun eindoordeel unaniem.
U verwachtte misschien dat ik zou beginnen met de woorden: ‘Dames en heren, de jury van de C. Buddingh’-prijs 2007 stond voor een lastige opgave’, maar dat was niet zo. Het viel integendeel zeer goed mee. We kunnen zonder meer zeggen dat de jurybijeenkomsten niet alleen in een constructieve sfeer verliepen, maar dat ze ook gewoon erg aangenaam waren. We waren er zelf verbaasd over.
Henk van der Waal stelde in zijn voorwoord van de bloemlezing De 100 beste gedichten van 2006 dat het publiek zich in toenemende mate focust op de voordracht en niet op de lectuur. Daarmee dreigt het accent op het losse gedicht te vallen. Het woud van de bundeling waar dat gedicht uit stamt, de bundel die door de auteur is geschreven en samengesteld, wordt zo minder goed bekeken, krijgt minder aandacht. Bloemlezers zijn eigenlijk struikrovers. Ze plukken die ene mooi bloem uit het veld om die te verkopen.
Nee, de jury van de Buddingh’-prijs stond niet voor een al te grote opgave. Ze heeft zonder al teveel wikken en wegen gekozen voor die vier bundels die in hun ogen een geheel vormen. Een gehele bundel veronderstelt homogeniteit, maar impliceert evengoed variatie. Mochten we de prijs voor het beste gedicht uit een debuut uitloven, dan had Florence Tonk wellicht ook een kans gemaakt.
Literaire prijzen vormen vaak een richtlijn om een bundel nog eens beter te bekijken. We hopen voor de genomineerden en de winnaar dan ook dat u hun werk nog eens rustig gaat lezen. Ook wij zijn bij herlezing op kwaliteit en originaliteit gestuit die we in eerste instantie niet altijd hebben vermoed. Het geheim van goede poëzie laat zich immers – uiteraard – niet meteen of misschien wel nooit ontraadselen. In elk geval, op een gegeven moment vergaten we dat we juryleden waren, en voor die leeservaring zijn we uiteindelijk gezwicht.
Pim te Bokkel
De eerste bundel die we nomineerden was Wie trekt de regen aan? (Nieuw Amsterdam Uitgevers) van Pim te Bokkel. Hij gaat in zijn gedichten ‘op zoek naar een wereld die verscholen ligt onder de stof van het dagelijks weten’. Dat levert speelse, tevens niet oncerebrale poëzie op, die bladzij na bladzij probeert een opening te krijgen in een gangbare manier van kijken en spreken over de wereld. Gevoelens van onderhuidse dreiging maar ook een sterk besef van het uitzonderlijke in het gewone worden verwoord met zin voor zowel het concrete als de beperkingen ervan.
Te Bokkels taal werkt met z’n registerverschuivingen en perspectivische wendingen niet zelden als een methode: een bewustzijn, zich bewust van zijn verblindende tussenkomst, probeert via de taal iets als oorsprong te hervinden. Wanneer dit streven slaagt, zijn gedichten met een opvallend eigen aanwezigheid het resultaat.
In de ogen van de ik
Toen de gevels van de vierendertigste straat zich tot hem
richtten
toen hij in het drijfzand van de aarde zonk
bogen in zijn ooghoeken de flatgebouwen zich
als haverpluimen in de wind
symmetrische lijnen knoopten zich achter zijn hoofd
tot cirkels vast
de maan was er
de schotel van een lichte plafonnière
en elk ding was met secondenlijm
aan de binnenwand van zijn globe geplakt.
Pim te Bokkel is een dichter die verwachtingen wekt.
Hélène Gelèns
niet beginnen bij het hoofd (Uitgeverij 521) van Hélène Gelèns is een bundel montere gedichten. Het lijken wel yoga-oefeningen, als we lezen: ‘adem rustig in en uit, adem in / en uit’ en ‘haphap, happen naar de naam, haphap’. Hoe dansend, hikkerig en roepend deze poëzie ook mag lijken, ze is precies en weloverwogen. Ieder gedicht keert terug bij hetzelfde beeld en vaak ook bij dezelfde woorden. Het lijkt haast een automatische lyriek, een vrolijkheid die bij herlezing misschien niet altijd even vrolijk is. Soms zou je willen dat Gelèns even stilstaat. Wie de bundel in zijn geheel wil lezen, wordt een beetje duizelig. Sommige gedichten van haar zijn zo klinkklaar, zijn zulke vloeiende herhalingen van kreten, dat een aangenaam ongeloof opduikt. Toch is niet beginnen bij het hoofd liefdespoëzie. Als de naam van de geliefde alleen geschreven wordt onder ‘waarschuwen in geval van ongeval’ weten wij hoe laat het is.
. interval
daden achterwege laten
gedachten radicaal stilzetten
een half woord spreken niets verplaatsen
aan water neerzijgen – staren
elke dag witte lijnen in het blauw
die elkaar kruisen en zwellen tot vegen
tot sluiers en weer oplossen
elke avond het zwarte gat
dat vanaf de kant het meer in trekt
er waaien wat mensen weg
ten slotte krijgt een eend twee koppen
één kop boven één kop onder
speelt een dartele vis met water
met zijn staart houdt hij druppels hoog
weeft een rups een cocon in een brand
netelblad dat ze vooraf aanvrat
landt een bij op haar vleugels en alles gonst
er waaien weer mensen door je buik
in je oren door je keel.
interval.
Ester Naomi Perquin
De derde genomineerde is Ester Naomi Perquin. In Servetten halfstok (Uitgeverij G.A. Van Oorschot) wordt veel dat vanzelfsprekend werkelijk lijkt op de losse schroeven van de taal gezet. De behendigheid waarmee dit gebeurt, onttrekt soms de achterliggende drijfveer aan het oog. De dubbele bodems, onverwachte wendingen, absurde beelden en nonchalant verwoorde bijna-wreedheden proberen een gevoel over de relatie tussen buiten- en binnenkant onder woorden te brengen. De dichteres omschrijft het zelf als ‘vermoedens hebben van vreemd onderhuids leven – maar (dat) niet zichtbaar kunnen krijgen’. In die zin werken de gedichten aan iets dat alleen goede poëzie kan doen, het openen van wat in de schijnbaar hechte samenhang van het dagelijks leven gesloten blijft. Hoewel een zekere gekunsteldheid dit soms wat al te soepele debuut niet vreemd is, lukt het Perquin een aantal malen een wezenlijke kwetsbaarheid boven te halen: de zenuw in het vlees, die de geest op scherp zet. Zoals in:
Winter
Laat het na deze winter nog eens winter zijn.
Geen statig broeden meer. Geen kievitsei.
Geen welbedreven paring of zorgvuldig nest.
Ik hoop dat kou de grond voorgoed verpest
met alles dat nog kiemen zou daarbij.
Laat straten grauw zoals ze ’s winters zijn.
De moddersneeuw van uitgebeende dagen,
twee blauwe kinderwanten naast een wak.
Ik kan geen lammetjes verdragen.
Niets erger dan dat woekerend gemak
waarmee de lente aan het groeien slaat.
Daaronder houdt het ijs een zoontje stil.
Voor al dat leven maakt hij geen verschil.
Er is geen zonlicht dat hem bovenbrengt.
Geen voorjaar dat hem kennen wil.
Bernard Wesseling
De laatste genomineerde ten slotte, is Bernard Wesseling met de bundel Focus (Nieuw Amsterdam Uitgevers). Wesseling is een ambitieus dichter. De wereld waarop hij zijn blik, zijn focus richt, zo blijkt uit zijn vocabulaire, is zeer hedendaags en in de greep van een alomtegenwoordige beeldcultuur. Hij is ook weerzinwekkend, onverdraaglijk, banaal, duister en om moedeloos van te worden. Wesseling kijkt naar die wereld met een gedwongen opengesperde blik, zoals Malcolm McDowell als het personage Alex dat deed in A Clockwork Orange. Maar anders dan McDowell verplicht Wesseling zichzelf om de ogen wijd open te sperren. Hij kijkt omdat hij vindt dat dat moet – men zou hem een geëngageerd dichter kunnen noemen. Zelf zegt hij het ergens zo: ‘Het is niet dat ik de werkelijkheid probeer te ontvluchten maar / hem niet te verwerpen.’
In een ijltempo ziet hij beelden op zich afkomen die met eenzelfde koortsachtige snelheid krankzinnige verbanden maar ook lucide, poëtische gedachten opwekken. Dat zorgt voor een brutale en verrassende beeld- en taalmuziek die in een vrijblijvend kluwen zou verzanden, ware het niet dat Wesseling daar met veel overtuiging (en dus métier) greep op krijgt. Als een filmmonteur.
Focus is een bundel die zijn bezwerende kracht niet onmiddellijk prijsgeeft. Het is geen gemakkelijke poëzie. Dat mag vreemd lijken voor een dichter die in de eerste plaats op het podium tot ontplooiing is gekomen. Maar misschien moet de kunstmatige opdeling tussen podiumdichters en dichters van het witte blad maar eens definitief ophouden.
Oefenen in onzichtbaarheid
Het is een mimespeler gegund zich door infrarood te wurmen
om bij de kluis te komen
met daarin de blauwdruk
van een droomhuis
In de mijmering met voorspellend karakter
zag ik geen waterplanten wuiven
Wel standaard mijn eigen begrafenis bijgewoond
een leeglopende ballon nagebootst
toen de belangstelling beperkt bleef tot mijzelf
en de plompverloren cateraar
alle vlammetjes in mijn zakken gestoken en een halfrond af gelift
Hier ben ik terug van weggeweest met niets te melden
wat ook maar iets in de richting beschrijft
als rechtstreeks door het centrum
van de vijverrimpeling draag ik van alles met me mee.
Omwille van die zo treffend in woord en beeld gebrachte duizeling waar de wereld hem in stort, omwille van de onmacht die hij vertolkt én de kracht waarmee hij zich teweerstelt, willen wij Bernard Wesseling graag de C. Buddingh’-prijs 2007 toekennen.
De jury,
Eva Gerlach, Erik Lindner en Bart Meuleman
C. Buddingh' was een minor poet. Dat wist ie zelf, dat wisten anderen en hij wist dat anderen het wisten.
Kees Buddingh' bezag en beschreef de wereld vanuit Dordrecht, de stad waar hij geboren( 1918) getogen en gestorven( 1985) is.
C. Buddingh' heeft Engels gestudeerd aan de School voor Taal en Letterkunde in Den Haag. Zijn poëziedebuut beleefde hij in 1940 met Military Service Blues dat verscheen in Den Gulden Winckel.
Tot twee maal toe heeft Buddingh' langdurig in het sanatorium gelegen waar hij behandeld werd voor een opgelopen TBC besmetting. Dat heeft zijn literaire doorbraak ernstig vertraagd, maar zijn belezenheid enorm vergroot.
Die belezenheid heeft schijnbaar geen sporen achtergelaten in het scheppend werk van C. Buddingh' daar hij met nonsensrijmen vol verzonnen dieren en fijn allitererende woordcombinaties grote successen boekte in de jaren 70 van de vorige eeuw. De Blauwbilgorgel is veruit het meest bekende gedicht van de schrijver.
Met zijn nasale slepende stemgeluid was Buddingh' dé man om zijn eigen poëzie voor te dragen. Dat leidde in 1966 tijdens Poëzie in Carré tot een groots en hilarisch optreden. Bevangen door het succes heeft C. Buddingh' zich nadien volgens critici te veel herhaald, of zoals Sleutelaar het in een programma zegt: "Een schrijver moet spreken en niet murmelen. Ik vind dat Buddingh' te veel gemurmeld heeft en te weinig gesproken."
C. Buddingh' heeft een groot deel van zijn leven - dat zich voornamelijk in Dordrecht afspeelde - vastgelegd in zijn dagboeken. Nu is Dordrecht een interessante stad, waar zich echter geen wereldschokkende zaken voordoen. En ook ontbreekt het - volgens W.F. Hermans in een recensie over één van de dagboeken- aan prikkelende ideeën, stellingen of filosofische uitspraken, zodat het 'doorleutert en 'dooremmert'.
Er is wel gesuggereerd dat C. Buddingh' zodanig aangeslagen is geraakt door het vernietigende stuk van Hermans, dat het zijn dood heeft bespoedigd.
C. Buddingh' overleed in Dordrecht op 24 november 1985 aan longembolie.
Kunst omdat het moet!
Uitgezonden door de TROS op 12 februari 2000
Regie: Peter Scholten
Samenstelling: John Heijmans
Holland Festival Magazine
Uitgezonden door de NOS op 25 juni 1972
Redactie: Jan Venema
Uitzendingen op Cultura
Dinsdag 19 juni 2007 om 20.30 uur. Herhalingen in de week daarna. Raadpleeg voor exacte data en uitzendtijden de programmagids op de homepage www.cultura.nl