
“Eigenlijk sluit mijn tweede symfonie meteen aan op de eerste” schreef Gustav Mahler op 26 maart 1896 in een brief aan componist en muziekcriticus Max Marschalk. Toch was zijn eerste symfonie nog niet helemaal af toen hij in 1887 aan het componeren van de tweede symfonie begon. In 1888 was het eerste deel klaar, de voltooiing van het werk zou tot 1894 duren. Deze monumentale symfonie heeft vijf delen en duurt meer dan tachtig minuten. Mahler maakt in het vijfde deel gebruik van twee orkesten, één op het podium en één ‘Fernorchester’ (orkest uit de verte) wat een bijzondere klankverhouding oplevert. In het vierde deel zingt de alt “Urlicht” (tekst uit “Des Knaben Wunderhorn”) en het vijfde deel eindigt met een cantate voor sopraan, alt en gemengd koor.
Deze symfonie wordt ook wel de ‘Auferstehung’ genoemd, oftewel de heropstandings-symfonie. In vijf delen voert de componist ons van een droevige treurmars, een herdenkend menuet, een plagerig-cynisch scherzo en als vierde deel het Urlicht uiteindelijk naar de Apocalyps, gevolgd door de overwinning van de mens op de dood: liefde maakt ons onsterfelijk.